28 maart 2014

Flexwerker

Voor mijn nieuwste opdracht Buiten Stad heb ik in 2 gebouwen een werkplek. De ene is een vaste waar ik een sleutel voor heb gekregen, de andere is een echte flexwerkplek. Iedereen moet er nog aan wennen, aan die flexplekken die ze nog maar een maand hebben.
Ze zijn nog stevig in de voortschrijdend inzichtfase.
Er is al wel bekend dat er een gebrek is aan vergaderruimte, en je mag maar maximaal anderhalf uur van je plaats zijn. Het is wennen.
Ik zat er woensdag en zocht naar een prullenbak onder mijn bureau.
Doen ze niet aan. Die staan in meervoud milieupolitiek correct gescheiden in de pantry. Ik dacht meteen aan de hoeveelheid plastic vuilniszakjes die je bespaart, en aan de schoonmaakuren die dit scheelt.
Wat een vondst!
Ik pakte een boterham uit mijn broodtrommel en werd door mijn buurvrouw op de vingers getikt. “Je mag niet eten aan je bureau”, zei ze. We keken elkaar even stil aan.
Die begreep ik niet. Was dat vanwege de broodkruimels die opgezogen moeten worden en dus schoonmaakkosten? Of is het uit zorgzaamheid voor de medewerkers, dat ze van hun werkplek moeten opstaan om elders te eten?
Bij de vaste plek die ik sinds donderdag heb, die met de sleutel, eten ze samen in het cafédeel van het gebouw. Ben ik altijd voorstander van geweest. Weg van je computer om de mensen met wie je werkt eens in de ogen te kijken.
Op de plek hier in Stad, waar ik ook een vaste flexplek heb met een eigen sleutel, eet iedereen aan haar bureau. Even elders een soepje halen en dan je toetsenbord zó verschuiven dat je gewoon verder kunt met werken. Of even de stad in.
Het voordeel van freelancer zijn is de blik die me in zoveel organisaties gegund wordt. Ideeën komen en gaan, mensen verzetten zich en geven zich over. Ik moet er niet aan denken dat ik niet van veranderingen zou houden.
Of van aanpassen.


27 maart 2014

Chinees

Bij de Chinees deed de pin het niet.
De jongen aan de telefoon was merkbaar kwaad op KPN en deed dat ook vrij uitgebreid in ehm, als ik zeg “in vlekkeloos Nederlands” lijk ik misschien fout bezig, maar naast hem achter de toog stond een Chinese dame die een moeilijk verstaanbaar accent had, dus dat vlekkeloze viel wel op.
Ik vind het ook sterk om perfecte taal te gebruiken als je kwaad bent.
Dat de zinnen zo vloeiend uit je mond rollen dat je op hetzelfde moment ook als toehoorder bewonderend luistert naar je eigen scherpzinnigheid.
Geeft een superioriteitsgevoel waar je niets aan hebt omdat je daarmee niet een schakelaar kunt omzetten, maar toch.

Ik pinde mijn etensgeld bij de bank om de hoek en was binnen 2 minuten terug. Hij hing nog steeds aan de lijn maar mijn eten was al klaar dus langer luisteren zou wat onbeschoft zijn. Bovendien werd op mij gewacht.

26 maart 2014

Van die types

De man die ik sprak wilde ik steeds Piet noemen, sommige mensen hebben dat.
Het verbaasde hem dat er nog zoveel ‘mannetjes’ als directeur rondlopen in de culturele sector.
Ik zei: “Heb je even?”
Ze zijn nu zoetjesaan aan het vertrekken, maar hier en daar vind je nog een overgebleven exemplaar dat de tijd tot zijn pensioen uitzit.
Het type dat gewend is geld en goederen te eisen van de gemeente als het tegenzit.
Dat het ego iets belangrijker vindt dan de organisatie.
Dat vaak sociaal niet écht dat je zegt ‘lekker ligt’, tenzij hij zijn best doet. Maar dan moet hij meestal ook iets van je.
Dat type dat houdt van dwarsliggers omdat hij zichzelf zo ziet, maar die dat liever niet in anderen waardeert. Want die moeten kapot. Kom er maar in Lucie!
Voor wie alles een machtsstrijd is.

In de commerciële wereld hadden ze er al lang uitgelegen, zei Piet.
Daar pikken ze dergelijk gedrag niet meer. Daar telt wat je doet, en daar tellen je kwaliteiten.
Ach, oud zeer. Wat kun je soms nog gemeen terugkomen om me in mijn rug te trappen.



25 maart 2014

Verankerd

Voor iedere opdrachtgever heb ik een ander notitieblok. Bij voorkeur van die organisatie.
Zodra ik daar eenmaal in ben begonnen is het ook van die opdracht en dus onmogelijk om er andere gedachten of gesprekken in op te schrijven.
Zo gebruik ik ook andere pennen, al neem ik mijn rode Parker wel overal mee naartoe. De spullen van de opdrachtgevers zijn voor mij ook een soort commitment. Het liefst zou ik ook alles achterlaten, maar dat gaat natuurlijk niet altijd.
In mijn tas heb ik ook een notitieboekje van mijzelf. Voor de eerste afspraken en de allereerste gesprekken voordat ik begonnen ben en om een eigen boekje kan vragen.
A5 is het fijnst maar bij mijn ene opdrachtgever heb ik zoveel afspraken gehad met zoveel verschillende mensen dat mijn A4 na 2 maanden al bijna vol is.
En het heeft niet eens bewaarwaarde.
Want ik schreef alles om te leren en te onthouden, en dat is nu al weer zo of verouderd of verankerd dat ik me afvraag of ik het ook niet gewoon zou hebben onthouden als ik het niet had opgeschreven.
Ik heb bijna alle boekjes van ooit bewaard.

Eigenlijk heb ik een kleine bibliotheek van culturele organisaties in huis en daar ga ik er vandaag weer een aan toevoegen.


24 maart 2014

Maandag in maart

Het was avond en ik haalde De Man op van het Station en bedacht dat het toch wel erg lang geleden is dat ik de autoramen moest krabben. Nu waren ze alleen maar beslagen en ik wilde het niet wegvegen maar zette de blazer op maximaal zodat ik kon achterhalen wat dat opleverde.
Van onze straat tot het Sterrenbos moest ik op een onthechte manier kijken vanwege de lampen van tegemoetkomende auto’s. Na het bos kon ik helder door het onderste deel van de ruit zien, en tegen de tijd dat ik bij de Rabenhauptstraat was kon ik weer rechtop zitten.
Dan weet ik dat nu.

Ik heb van 22 december tot en met 22 maart in mijn agenda bijgehouden hoe laat de zon op kwam en hoe laat hij onder ging.
Ik hou van die langzame fysieke verschuiving op papier. Niets wereldschokkends want dat kun je ook in mijn agenda van een paar jaar geleden zien. Toen hield ik het een jaar vol, en nam ook de maan mee.
Het heeft geen enkele zin om te doen, dat weet ik ook wel. Het geeft me gewoon het veilige gevoel dat ik weet wat er om me heen gebeurt.


23 maart 2014

Monnikenloop

“Viel het mee?” vroegen ze na afloop in het café.
“Ja!” riep we alle drie.
Het was afzien en zwaar en het motregende, maar eigenlijk viel het mee.
We renden over strand, door mul zand en beklommen helling nummer zoveel richting de vuurtoren. En net toen ik bijna bovenop de duintop was en dacht: hè foei, wat een beklimming, zag ik dat het pad steil naar beneden liep om weer even steil omhoog te gaan.
Het was zwaar maar heerlijk en gaf de kick van een achtbaan. En net als vorige week merkte ik na 40 minuten dat ik eigenlijk veel harder kon.
Marjolein was al uit het zicht, Melanie liet zich zakken en ik versnelde de laatste 3 kilometer.
We waren natuurlijk van alle kanten gewaarschuwd voor het heuvelachtige parcours. Misschien dat ik daarom voorzichtiger was begonnen dan nodig, dacht ik even. Maar nee, mijn vleugels krijg ik, nu al twee weken achter elkaar, pas na 40 minuten aangesnoerd. Ik leer er wel mee rennen.



22 maart 2014

Op 't Ailand

Je zou denken dat het stress is, maar het is pure opwinding.
Ik heb alles, ik wéét dat ik alles heb om vandaag op T’ailand te kunnen hardlopen.
Ik heb een douchetas met handdoek en douchespullen en vers ondergoed.
Ik heb mijn loopkleren in een kleine sporttas, bovenop de nieuwe schoenen zodat ze elkaar wat kunnen bijpraten. Ernaast geschoven zit de envelop met startbewijs, en bus- en boottickets.
Ik heb een mini nylon rugzakje met veiligheidsspelden en foerageerspullen: 2 flesjes, een bakje brood en een banaan. Ik heb er ook mijn telefoon-draagarmband in gedaan en ik wou echt heel graag dat iemand daar eens een fatsoenlijk en vooral ook logisch woord voor zou uitvinden.
Mijn lift staat over 45 minuten bij het station, de boot vertrekt over 2 uur.
Ik heb alvast een knip in mijn haar gedaan en papiergeld in mijn broekzak.
Ik moet alleen niet vergeten om vanavond een halfje bruin te kopen als ik terug ben.


21 maart 2014

Ik schudde veel handen. De helft zei “Hé, ik ken jou toch?” en iemand kende alleen mijn naam van een bestuur op afstand waar we samen in hebben gezeten. Zij praatte met de ogen dicht maar ik denk niet omdat ze mij eng vond.
Ik keek naar haar oogschaduw. Het was fijn dat ze die zo vaak liet zien. Die kleur grijs heb ik wel eens als kleur van ogen gezien, nooit eerder van oogschaduw.
In het andere gebouw riep iemand “Niks zeggen, niks zeggen, ik weet het wel!” dus wachtte ik af. Van hem wist ik nog zijn voornaam en beroep, hij wist ineens weer Praagse Lente.
Ik heb veel opgeschreven en tussendoor het interview met de Boeddhistische Dr. uitgewerkt om maar zoveel mogelijk afstand in mijn eigen brein te creëren.
Ik rondde de eerste dag van de nieuwe opdracht af in de loopwinkel waar mijn bestelde schoenen niet waren gekomen. Ze wilden me al uitzwaaien maar ik heb gewoon anderen gekocht. Die eigenlijk veel beter zaten dan we allemaal vermoedden.

Zaterdag ga ik ze inlopen op het eiland.