23 juli 2020

Prut

Ik zag de vriendinnen voor het eerst sinds maanden weer, op het terras van het Feithhuis. Ik was iets later, zij hadden al een glas wijn voor zich staan, zag ik uit mijn ooghoek toen ik langsfietste richting de fietsenkelder onder het Forum.
Mijn energie was al dagenlang prut. Ik moet dan ook al dagenlang denken aan het eten dat we elkaar in de studententijd voorzetten: zilvervliesrijst, satésaus en een prutje van ja, dat weet ik dus niet meer. Ui en prei natuurlijk, gehakt, en dan misschien wat paprika?
We noemden het glorieus Prutje en we zeiden dat het niet gebonden was aan voorschriften, maar ondertussen.
Laatst stelde ik voor om dat te eten, uit een spontane behoefte aan zilvervliesrijst maar vooral omdat ik er achter wilde komen wat de ingrediënten ook al weer waren. 'Al doende leert men' en dat op zijn middelbaars: 'al doende haalt men terug uit krochten en fietsenkelders'. Het voorstel stuitte op weinig enthousiasme, zacht uitgedrukt. Niet iedereen wil zich dat studentenvoer kunnen herinneren.
Enfin, op het terras was het goed toeven, ook met kamillethee waar ik van mijzelf mee moest beginnen vanwege die lakse energie.
Ik weet niet of het door de thee kwam, maar ik zat daar en ik hoorde mijzelf ineens praten en lachen en actief luisteren en energieker zijn dan ik de afgelopen twee dagen was. Buitenshuis zijn, me onder de mensen begeven doet me blijkbaar toch meer goeds dan ik denk. Al die maanden beviel het me prima om niemand te zien, om met zijn tweeën kluizenaar te zijn, om één keer in de week boodschappen te doen en alle voorstellen tot 'live' afspraken tegen te houden. Ik hield ervan.
'Het was ook niet niks,' zeggen ze dan, 'natuurlijk zijn we moe en hebben we geen energie meer,' heet het.
Het duurt wel even voordat ik daarin mee wil gaan. Koppig bestrijden dat ik ben als iedereen.

Thuis vond ik een nieuwe buitenkraan en twee contactdozen buiten aan de gevel. Cor klust gestaag door tot volgende week het hout voor de bijkeuken en keuken wordt gebracht en iemand komt om de nieuwe ketel te installeren. Zelden heb ik hem zo vaak horen fluiten en zingen als nu. Het lijkt wel een feestje.



22 juli 2020

Maskerade

Het is helemaal nog niet zo eenvoudig om zonder gêne zo'n mondkapje te dragen.
Gisteren liep ik naar mijn bureau met dat ding op, en ik dacht steeds: laat ik er nou een test van maken. Kijken mensen anders? Gaan ze me uit de weg? En hoeveel zeikerige opmerkingen krijg ik naar mijn hoofd geslingerd?
Want eigenlijk verwachtte ik vooral negatieve opmerkingen of negatief gedrag, ik denk dat ik dat heb geleerd van Twitter: als je ook maar iets doet of zegt dat door iemand op wat voor manier dan ook politiek kan worden uitgelegd dan krijg je de hyena's op je nek.
En een mondkapje is politiek. Niet hier, tenminste niet dat ik weet, maar wel op twitter.

Ik heb een hele mooie. Iedereen mag hem bewonderen. En dan loop ik dus met mijn ogen op de stoep gericht. Ik ben zo'n enorme lafaard.
Elk moment verwachtte ik een nare opmerking, of dat naderende voetgangers aan mijn kant van de stoep zouden gaan lopen, alleen maar om te pesten.
Het tegendeel gebeurde: men nam respectvol afstand en niemand keek me in de ogen.
In tegenstelling tot wat ik laatst dacht, dat ik kon wennen aan alles, vind ik het een heel bizar gevoel.

Mijn spit bracht me de afgelopen weken het excuus om afspraken niet na te komen, maar nu dat voorbij is blijft alleen mijn ongerustheid over. Vorige week vierden we met de hele schoonfamilie dat de mater familias jarig was, zondag ging ik met een groep uit eten, en maandag waren mijn ouders even op bezoek. Ik heb meer contact dan me lief is en draag nergens een mondkapje. Wacht ik soms tot het verplicht wordt?

Vanmiddag tref ik twee vriendinnen op een terras, zondag ga ik met een vriendin naar de film en tussendoor komen wat mensen eten. Ik zal het dragen op de fiets, dat is tenminste een begin.
En hij is écht heel mooi. Ik zal mijn gebloemd ooglapje erbij dragen, dan kan ik tenminste gelegitimeerd verder als bezienswaardigheid.
De echte test is natuurlijk: wat is ervoor nodig om mij het gevoel te geven dat ik niet voor gek loop.



21 juli 2020

Fles

'We komen er ineens achter dat de fles leeg is,' zeg ik tegen de serveerster. Zo grappig is het niet, maar iedereen aan tafel lacht. We zijn begonnen met drankjes als Negroni, dat ik na het lezen van Ilja Pfeijffer altijd al eens wilde proberen, en Aperol Spritz. Als we niet naar Italië kunnen dan halen we Italië wel naar Groningen.
Voor het eerst in de acht jaar dat ik in het bestuur van de kunstruimte zit gaan we samen uit eten. We doen het altijd rustig aan met de centen, gooien niets overboord, en dan nog weet een commissie heel zeker dat we wel met minder geld toe kunnen.
De directie houdt het al dertig jaar vol om talent te scouten en te scoren, ze hebben landelijk en internationaal een geweldige reputatie, trekken altijd weer jong publiek, en toch bedacht die commissie dat we het allemaal niet meer kunnen bijbenen, dat we paradoxaal genoeg te veel activiteiten ontplooien, en dat het wellicht tijd is om jongere initiatieven een kans te geven.
Welk jonger initiatief, vragen wij ons dan af.
De mammoet die al jaren niets produceert omdat er al jaren geen pit meer in zit, maar sinds kort zelfstandig is en daarom als 'jonge instelling' geldt en een smak duiten mee krijgt? Of het jongere initiatief dat in pop-ups werkt, door We the North is omarmd als het enige dat echte sympathie verdient, en bij 'onze' directie met enige regelmaat om raad en steun aanklopt?
Of de club die volgens de commissie meer geld moet krijgen dan wij, om helemaal niks te doen behalve zichzelf en de panden die ze in beheer hebben in stand te houden?
Ik ken weinig mensen die zich met zoveel vuur wijden aan het tentoonstellen van werk van jonge kunstenaars. We zijn weliswaar geen jong initiatief, maar trekken wel het jonge publiek en stellen wel werk van jonge talenten tentoon. En hoe onwerkelijk is het dan dat we steeds hard moeten roepen om gezien te worden, in plaats van dat de directie overal waar ze hun gezicht laat zien onmiddellijk op een schild wordt gehesen?

We hadden het tijdens het etentje maar eens niet over hoe hard we hebben moeten werken om de wethouder een praatje te laten houden op de opening van de jubileumexpositie, hoe weinig vruchtbaar de 'nee we krijgen écht héle goede' persberichten zijn, hoe volhardend onze pogingen zijn om de gemeenteraad te laten zien wat we überhaupt doen en welke rol we spelen in het landschap.
Soms voelt het als trekken aan een dood paard dat in de woestijn ligt en waar we roepend omheen staan.
Dus vierden we alles wat er is en was en hopelijk nog heel lang zal zijn, en vonden we die ene extra fles, of twee, ons wel gegund.



20 juli 2020

Wennen

Mijn mondkapje is gemaakt door Lydia. Ik heb er zelf een gaasachtig ding in moeten schuiven en dat zit gek, maar het hele maskergebeuren is natuurlijk gek. Ik vind het nog wat gênant als ik de elastieken om mijn oren haak, en toch, zodra ik het prachtige groene stofje met de bloemen en het vogeltje even draag, vergeet ik het hele bestaan ervan.
Zo snel kan ik aan iets wennen.
Net hing ik de was op, trok het dekbedovertrek binnenstebuiten, wat ach nee helemaal niet de bedoeling was, en dus roep ik dan 'Command-Z', tegen het zware overtrek. Waarna niks gebeurt. Niet uit zichzelf tenminste, en ik was echt even van mijn apropos dat ik dat hele verdraaide gevaarte zelf weer binnenstebuiten moest trekken.
Ongedaan maken is standaard Command-Z, is dus een fluitje van een cent, is helemaal niet zelf in actie komen.
Ik wen ook heel snel aan dingen die helemaal niet kunnen.
Laatst fietste ik naar huis toen ik me realiseerde dat ik geen sleutels bij me had.
Ik woof wat voor mij uit. Want wat zat ik me druk te maken, ik had immers mijn telefoon bij me en ik zag al voor me hoe ik de app voor het slot van de achterdeur zou houden waarna deze natuurlijk gewoon opent.
Ik zag het voor me. Alsof ik dat elke dag doe.
En ik kan er maar niet aan wennen dat dit nog niet kan.




16 juli 2020

In Borne

Er zit een Mexicaan in het pittoreske dorp, maar we gaan er niet naartoe.
Pa heeft geen zin om uit te gaan, hij wil liever met vrouw en dochters eten in de eigen tuin aan de eigen tafel, en zo luid kunnen praten en lachen als hij zelf wil. Hiermee boort hij ons wel cocktails door de neus, maar zo lang er wijn ligt te koelen kan ik daar overheen komen. Hij verruilt zijn werkkleding voor een net overhemd om ons eten af te halen.
Mijn moeder prikt iets uit de categorie 'Kleine Amigos'. Vindt ze heel erg grappig.
Als ik bel om onze bestelling door te geven vraag ik of ze die cocktails ook voor afhalen beschikbaar hebben. Ik hoor aan haar 'Nee,' dat het een hele rare vraag is en dat ze ondertussen denkt 'waarom eigenlijk niet?'
Natuurlijk is het een rare vraag, maar ik vind het grappig om rare vragen te stellen.
Na het eten maken we een wandeling naar de ijssalon in het centrum en voor het eerst vallen mij de mooie huizen en gevels op in de Grotestraat, wat mij in al die jaren dat ik er als klein kind en puber rondfietste nooit ene moer kon schelen, maar daar ben je puber voor. Als vrouw van middelbare leeftijd ontkom ik niet aan die ongein van waardering voor, en instandhouding van, dat wat leefbaarheid betekent, en waar ik grote verhalen vermoed.
In de ijssalon wijs ik naar een hoorntje, ik wil nu het liefst 'cono' zeggen, het is voor het eerst dat ik merk hoe graag ik nu in Italië op een camping had gestaan, en verman me. 'Zo een,' zeg ik maar als ik niet op het woord kan komen, eigenlijk net zoals ik in Italië vaak doe.
We lopen via de andere weg terug, staan stil bij het klooster waar ma's tante Lena woonde als zuster Alexandra, bij onze oude muziekschool die nu voor een miljoen te koop staat, bij de mooie gevel van de Dames de Man die een lampenzaak bestierden, de slijterij van Van Wanrooij met de gedoogde minikroeg in het steegje, en Villa Meijling aan de ovonde dat nu een verzorgingshuis is. 'Héél duur!' jubelt ma over straat, wijzend met haar Nordic stok.
We pikken de andere spoorwegovergang mee en in het laatste stuk vertelt pa hoe verbaasd hij is als mannen van zijn leeftijd het liefst terugkijken op hun leven. 'Daar ben ik nog helemaal niet aan toe,' zegt hij, 'Ik heb nog veel te veel te doen. En ik moet er niet aan denken om nu in een of ander appartement te trekken en niet te genieten van de opbrengst van alle klussen waar ik nu mee bezig ben.'
De volgende dag bij het ontbijt heeft hij de bretels al weer over zijn zwarte t-shirt gehesen, klaar om heel veel dagen toe te voegen aan zijn eigen verhaal.



14 juli 2020

Palazzo

Het was zondag dus niet zo druk in de stad, dachten we en slim waren we niet. De ene winkel in, leegkopen, en langs de volgende winkel fietsen die niet open was ('Goed zo, vier lekker zondag want dat gun ik je van harte' denken) en in de laatste winkel geholpen worden door Marieke wat dan wel weer grappig is. Ik zoek Palazzo broeken, zijden broeken die superwijd vallen en in de meest geweldige kleuren te koop zijn. Ik zoek die Palazzo broeken al mijn hele leven, heb er zelfs ooit een laten maken voordat ik me realiseerde dat het soepel moet zijn, en zomers van kleur. Nooit aangehad. Maar nu het maar niet wil zomeren (ach nou ja, twee weken regen) en ik net een boek uitgelezen heb over de society vriendinnen van Truman Capote die in het Italië van de jaren zestig op bezoek gingen bij de Principessa Irene Galitzine die de pyjamabroeken-voor-dagelijks-gebruik had uitworpen (haal adem), moet en zal ik er ook een hebben.
Zondag kwam ik erachter dat ik maat 37 heb en dat die niet bestaat. Dus ik moet nog even twee kilo kwijt en dan kan ik weer kopen.
Afvallen is een dure hobby.

En de mensen in de stad houden onaangenaam weinig afstand. Ik ben het er niet mee eens, ik verstop me gewoon weer een paar weken in mijn bubbel.
Waarom heet dat trouwens Bubbel? Waarom niet Tent?
Er kunnen meer mensen in mijn tent (die ik heb) dan in mijn bubbel die ik niet fysiek heb en die ik daarom zo groot kan maken als ik wil. Dus inderdaad: er kunnen meer mensen in mijn tent dan ik in mijn bubbel wil hebben. Mijn tent is mijn bubbel, mijn koninkrijk is mijn palazzo. Volgend jaar mag ik weer kamperen.



12 juli 2020

Spit

Op de tweede dag van mijn spit laat ik mijn mede-oud-cursisten weten dat ik er niet bij zal zijn als ze die middag proosten in Femmy's nieuwe huis. De rug zeurt als een klein kind dat voortdurend aandacht wil. Ik voer het paracetamol, vergetend dat het beter gedijt bij andere middelen. Wijn bijvoorbeeld, die de avond ervoor als een wondermiddel tot stilte leidde.

Ik sta op met gejammer en ga zitten met gejammer.
Ja, jammer.
De vrienden app ik dat ik een blogje van hun hand graag tegemoet zie, om eventueel hier als gastblog te plaatsen, waarop Rolf een uitgebreid verslag van deur tot deur en weer terug schrijft. Het is te lang, laat ik hem weten, maar voor inkorten is bij hem de lol er af. Ik mag wel vrij quoten, zegt hij, waarop ik met mijn ogen over de tekst vlieg.
Bij een rondleiding door het huis stuiten ze op halters '...die ik even met de voeten aanraakte (...) dat ik aan Moniek en haar spit dacht. Het idee ze een paar seconden op te tillen was daarvoor voldoende.'
'We dronken op het huis, de schrijversclub en op Moniek,' lees ik, en dat het een poëtische middag was waar de drank rijkelijk vloeide.
Ik grijns, geef het jengelende kind een trap en schenk een glas ijskoud 0% bier in voor mijzelf.
Proost, lieve oud-klasgenoten!



11 juli 2020

Maling

Hij vertelt over gisteren en hij zegt: 'Vanmiddag deed zij dit', en: 'Vanochtend was hij er al'. 
Ik zeg dat zijn hersenen hem in de maling nemen en dat ze in zijn hoofd voor de grap de tijd hebben verplaatst nu hij eindelijk weer een avond naar buiten mocht, de wereld in.