Woensdag bakte ik een citroencake die ondanks alles goed uit de oven kwam. Koken en bakken levert veel stress op, dat hoort nu eenmaal bij hersenletsel. Het organiseren en overzicht houden gaat niet meer als vanzelf. Dus ik zet alles langzaam en overzichtelijk klaar, vet het bakblik in, bebloem het netjes, mix de boter zacht, voeg de eieren toe en klop lustig verder. Gek genoeg wordt het geen beslag, de boter blijft kleine klontjes hebben en het is maar een waterige toestand. Ik kan niet terugdenken wat er mis zou zijn gegaan, dat gaat niet, dus ik ben blij als ik het bekertje met water zie staan dat ik nog had moeten toevoegen. Dat zal het zijn, denk ik, en maak de waterige substantie nog een tikje wateriger.
Ik weet dat het niet goed is, maar ik weet ook niet wat ik anders had moeten doen, of wat ik anders deed dan vorige week, dus ik giet het cakeblik vol vloeistof en schuif het in de oven in de volle overtuiging dat er een prachtige cake uit ontstaat.
Gelukkig voor mij rust ik niet meteen daarna uit, wat ik ergotherapeutisch wel zou moeten doen, maar ik ga meteen door met opruimen en schoonmaken. Als eerste zie ik het zakje cakemix onaangeroerd op het aanrecht liggen. Zelden zo hard gelachen om mijzelf. Het bakblik trok ik uit de oven, goot de inhoud terug in de beslagkom, stopte de gardes weer in de mixer en voegde de cakemix toe. Het werd onmiddellijk een mooi beslag, en uiteindelijk ook een heerlijke cake, al zeg ik het zelf, met dank aan de fabrikant die een mix maakt die niet kan mislukken al deed ik nog zo mijn best.
Ik nam de volgende dag een paar plakken mee naar mijn bureau, klopte aan bij de buurvrouw die er niet was maar waar ik wel twee andere vrouwen trof. Decorbouwers van Het Houten Huis die aan het lunchen waren. De cake wilden ze wel, en ook wilden ze weten wie ik was en wat ik daar deed. Ik vertelde mijn verhaal, ging ervan uit dat zij, theatermensen uit Amsterdam, Margôt Ros wel zouden kennen, en zei hoeveel ik had gehad aan haar boek Hersenschorsing. Dat is een vriendin van ons, zeiden ze. Eindelijk had ik de kans om mijn dank door te geven, wat ze beloofden te doen.
Ik ratelde in de overdrive, ik schoot weer eens door. Die rem vind ik steevast te laat, ik hoor mijzelf, ik zie hoe de stortvloed aankomt bij wildvreemden die verwarde toehoorders zijn geworden, en berust. Dan maar voor gek versleten worden. De groeten aan Margôt, zei ik joviaal, want de vriendin van collega's van een vriendin heeft in feite, als je wat verbindingskoordjes doorknipt, zelf mijn Groningse citroencake geproefd.