Vanochtend las ik dit artikel in de VK over hersenschuddingen, natuurlijk geschreven door iemand die genezen is en die vindt dat anderen moeten doen wat zij heeft gedaan.
Ik stond al op mijn achterste benen toen ik doorkreeg wat er precies gezegd werd, en waar ik iets aan zou kunnen hebben: ga niet zes weken in een donkere kamer liggen en nietsdoen. Dat helpt niet. Ik haalde opgelucht adem. Dat heb ik niet gedaan, ik zoek zelf niet bepaald de onder-prikkeling op. Mij valt niets te verwijten, zogezegd.
Ik ga naar voorstellingen, ik zit in de trein, ik loop door de supermarkt, ik ontmoet mensen en ik ga naar borrels, al is het maar heel even. Natuurlijk ben ik daarna moe, maar ik ga me niet buiten het leven plaatsen.
Ik bedacht later dat ik wel de signalen herken, van tunnelvisie, van vermoeidheid, van niet meer begrijpen wat mensen zeggen tot niet meer kunnen reageren (laat staan adequaat), maar dat ik toch iemand anders nodig heb om me daarop te wijzen. Het enige wat ik voel en wat me op zo’n moment bezighoudt is dat ik moeite moet doen. Dat het me zoveel moeite kost om normaal te doen. Om sprankelend te zijn. Daar ben ik dan mee bezig.
Tot iemand anders zegt: ‘Je zult wel moe zijn, laten we naar huis gaan’, zoals Lydia laatst zei na die voorstelling in Grand.
Ik dacht toen dat het wel meeviel, maar op het moment dat zij dat zei voelde ik dat het mocht. Ik mag moe zijn en hee verhip, die tunnelvisie, dat gebrek aan verstandige woorden, aan interesse, dat mag, dat hoort hierbij.
Nog steeds.
Na het lezen van dat artikel las ik in Over de berekening van ruimte deel 5 dat mensen hun omstandigheid (dat de tijd gestopt is op 18 november) moeten zien als een geschenk. Want nu kunnen we zonder elkaar te beconcurreren, zonder ons af te vragen wat het doel is, zonder je te hoeven verantwoorden, alles onderzoeken wat je ooit zou willen onderzoeken.
Maar natuurlijk, dacht ik! Ik kan deze tijd zien als een geschenk. Ik kan alles doen wat ik wil. Alles. Als ik naar de film wil of wandelen, of iemand wil zien, dan doe ik dat. Als ik in de trein naar Schiedam wil om een tentoonstelling te zien dan doe ik dat. Als ik een raar boek wil schrijven dan kan dat gewoon. Wie doet me wat?
Het is een geschenk.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten